‘Ik kan het niet.’

Het zijn vier woordjes. Ik heb ze inmiddels wel duizend keer gezegd en toch moet ik elke keer weer even slikken voor ik ze uitspreek.

Ik slik, omdat sommige mensen verstaan: ‘Ik wil het niet’.

Ik slik, omdat anderen denken dat als ik wat meer mijn best doe ‘het toch wel kan’.

Ik slik om de waarheid, want hoe graag ik ook wil: ‘Ik het nog steeds niet kan’.

Jaloezie

Soms ben ik wel eens jaloers op van die mensen die duidelijk een veel ergere handicap hebben dan ik. Die slechter uit de strijd zijn gekomen en die het zoveel moeilijker hebben.

Want als iemand met twee verlamde armen zegt: ‘Ik kan niet schrijven’. Dan is er niemand die zegt: ‘Je hebt het niet eens geprobeerd’. Of: ‘Ahh, het lukt vast wel als je wat meer je best doet’.

Bij iemand die een zwaar chemotraject ondergaat, is er niemand die zegt: ‘Ben je nou alweer moe. Gisteren heb je ook bijna niks gedaan’. als die persoon de hele nacht heeft lopen braken.

Kracht

Er is geen haar op mijn hoofd die zegt dat deze mensen het niet verdienen om met respect behandeld te worden; om ze anders te behandelen. Of te zeggen dat ze er ‘beter’ aan toe zijn, omdat ze gelijk geloofd worden. Nee. Dat is absoluut niet het punt wat ik wil maken. Want ik ken ze; deze mensen. Ik weet hoe dapper en stoer ze zijn. Hoe hard ze vechten en hoe verschrikkelijk sterk ze zijn.

Wat ik je wil vragen is om verder te kijken dan wat je ziet. Om begrip te tonen voor wat je niet begrijpt. Hulp te bieden met iets waar jij geen moeite mee hebt.

En niet alleen voor NAH, voor mij. Maar ook voor die psychische stoornis, darmklachten, verdriet en elke andere onzichtbare ziekte. Voor die gedeeltelijk verlamde persoon, diegene die strijdt tegen kanker. Voor je buurman, je docent en treinconducteur.

Maar vooral voor die persoon die zegt: ‘Ik kan het niet’.